De derde zeven jaar 

Lichaam en orgaansystemen

In deze fase groeit het lichaam nog een keer fors uit en worden de ledematen, de spieren en de voortplantingsorganen uitgevormd. Dit zijn de organen waarmee in de wereld wordt ingegrepen en waarmee die wordt veranderd. Tegelijkertijd gaan jongens en meisjes sterker van elkaar in lichaam en zieleneigenschappen verschillen.

Meisjes lopen hierin voor op jongens. Een deel van het astraallichaam, dat in de vorige periode zorgde voor de vorming van ademhaling en bloedsomloop, komt vrij voor het zelfstandige voelen. Een ander deel blijft verbonden met de beide genoemde lichaamsprocessen.

Het astraallichaam wordt gestimuleerd door interesse en openheid voor mens en wereld en wordt verzwakt door navelstaren, in jezelf broeden of het onnodig en als gewoonte leveren van kritiek. Door het ervaarbaar worden van het gevoel worden absolute oordelen geveld, die van voorbijgaande aard zijn. Alles is voorlopig absoluut. Er is sprake van een interessante omkering. De opbouw van het zenuwstelsel en de zintuigen wordt bevorderd door te bewegen, de opbouw van de ledematen en het spijsverteringsstelsel wordt bevorderd door goed waar te nemen.

De planetenkwaliteiten gaan een rol spelen in het astraallichaam.

In de leeftijd van 12 tot 25 jaar wordt er veel nieuwe hersenmassa gevormd en worden verbindingen in de hersenen die op jongere leeftijd zijn aangelegd verbroken en komen er nieuwe verbindingen tot stand. Dit loopt van achteren naar voren. De hersengebieden die met verantwoordelijkheid dragen en beslissen te maken hebben worden het laatste rijp. In hersengebieden die gebruikt worden komen veel verbindingen tot stand. In gebieden die weinig of niet worden gebruikt komen er weinig verbindingen. De jongere kan worden gestimuleerd op veel gebieden actief te zijn. Is men in deze fase van zijn leven inactief, dan geeft dat mogelijk beperkingen in het latere leven die maar moeilijk overwonnen kunnen worden.

Leren

Jongens zijn praktischer en verbinden zich meer met de aarde, meisjes verbinden zich meer met de geest. Dit betekent dat het onderwijs voor jongens praktischer en beeldender kan zijn, gericht op ervaren en dingen doen. Onderwijs voor meisjes kan theoretischer zijn. In het huidige theoretische, op taal gerichte onderwijs halen meisjes betere resultaten dan jongens en stromen ze vaker met een diploma uit. Afwisseling van theorie en praktisch onderwijs is in gemengde groepen voordelig.

Er is een grote opnamecapaciteit. Jongeren kunnen in korte tijd veel leren. Veelal wil men dat ook, maar weet men niet hoe dat moet. Er is sturing nodig om de aandacht en concentratie te richten en vast te houden. Die sturing verandert met de leeftijd. Tot het 17e jaar kunnen kleine opdrachten worden gedaan. Daarna kunnen grotere opdrachten worden gegeven. Met het ouder worden kan meer zelfstandigheid worden gegeven bij de grootte, complexiteit en structuur van opdrachten, de docent kan zich meer op de achtergrond houden. Ook grote opdrachten moeten in kleine stukken worden verdeeld en de datum van inleveren moet altijd dichtbij zijn, zodat de drang er is om direct te beginnen.

Het ontwikkelen van een eigen visie is moeilijk en pas mogelijk aan het eind van deze periode. Zelfstandig leren betekent eerder dat de leerling een eigen invulling en kleur aan de opdracht geeft, dan dat de opdracht geheel zelfstandig wordt uitgevoerd.

Een gevaar in de puberteit is dat de jongere verstrikt raakt in zijn gevoelens en dat er eenzijdigheden ontstaan (extreem en zwart/wit-denken, doordraven in gevoelens). Daarom is het nodig dat gevoelens met gedachten worden doortrokken, zodat emoties niet zonder rem wor-den uitgeleefd en een jongere zijn driften niet achterna loopt en uitleeft. Het zelfstandige denken is voorwaarde voor een gezonde ontwikkeling. De echtheid van de opvoeders en hun verbinding met de lesstof zijn belangrijk. Hun ik moet zichtbaar en beleefbaar zijn.

Rol van de opvoeders

De omgeving helpt bij de ontwikkeling door de jongeren positief en met vertrouwen tegemoet te treden. Vertrouwen mag men nooit beschamen. Een positieve instelling en vertrouwen helpen om het astraallichaam beweeglijk te houden en met sympathie en antipathie beweeglijk om te gaan.

In de opvoeding kan men met twee principes werken: het geven van verantwoordelijkheid en vrijheid enerzijds en het stellen van grenzen anderzijds. In de eerste helft van deze periode staan de grenzen voorop, in de tweede helft kan men ernaar streven een probleem voor te leggen en de jongere zelf de conclusie te laten trekken. Het maakt veel uit of een adolescent wordt gedwongen iets te doen of dat hij het na een gesprek uit eigen beweging doet.

Denken

In het denken wordt de basis gelegd voor het zelfstandige oordeelsvermogen. Dit maakt door de ontwikkeling van logica en associatief denken de jongere zelfstandig tegenover heftige emoties en autoriteiten en maakt hem vrij van autoriteitsgeloof.

Bij het denken loopt de ontwikkeling van het zoeken naar oorzakelijke verbanden in het causale denken, via het abstracte intellectuele denken, waarvoor de exacte vakken belangrijk zijn, naar een denken vanaf het 17e jaar dat waarnemingen ordent met spiritueel inzicht.

Dit nieuw ontwikkelde denken zou niet in koude intellectualiteit moeten blijven steken, maar worden verbonden met de wil van de jongere. De eerst nog onbewuste wil kan zich dan omvormen tot een motief of ideaal. De jongere kan vanuit keuzevrijheid komen tot moreel handelen, tot handelen vanuit liefde.

Bij de oordeelsvorming loopt dit van het praktische oordeel over waarnemingen, via het theoretische oordeelsvermogen, dat wetmatigheden afleidt uit de waarnemingen, naar het persoonlijke of bezielde oordeel vanaf het 17e jaar, waarbij de wereld sterker wordt beleefd.

Zelfstandig denken heeft ook een goede invloed op het lichaam. Iemand die zelfstandig denkt loopt rechter op. Zelfstandig denken legt ook de basis voor zelfvertrouwen en het vermogen de eigen wil vrij en verantwoord te gebruiken. Men leert langzamerhand dat vrijheid en verantwoordelijkheid bij elkaar horen en dat de combinatie niet is vrijheid en blijheid, iets dat men maar al te vaak ziet. Dit kan men stimuleren door gaandeweg in reële praktijksituaties meer vrijheid te geven en steeds wat meer verantwoordelijkheid over te dragen.

Voelen

Door het ontwaken van de eigen gevoelswereld ontstaat er afstand tot de omgeving. De jongere voelt zich door zijn ouders niet meer begrepen, leraren bevallen niet meer. Op basis van gevoelens kan men veel weggooien, niet alleen leraren en ouders, maar ook zichzelf. Anderzijds zoeken jongeren de waarheid, waarbij er een neiging is in extremen te vervallen, in “is-men”. Er is sprake van een zoektocht naar zichzelf en de wereld, pijlen worden afgeschoten, niets is goed genoeg. De eigen wil vliegt mee met de gevoelens en kan nauwelijks beteugeld worden. Ouders en opvoeders houden alleen stand als ze authentiek zijn en grenzen stellen.

De puber hoort zich in deze periode met de aarde moet verbinden. Er zijn veel manieren om dit niet te doen, via drugs, alcohol, science fiction, games, etc blijft men in een kinderlijke, fantasievolle, illusierijke niet-volwasenenwereld en vermijdt men de verbinding met de realiteit.

Willen

De denkbeelden die iemand in deze fase ontwikkelt hebben grote invloed op zijn verdere leven, omdat ze tot ideaalbeelden voor het leven kunnen worden. Om tot idealen te komen moet een jongere met echte dingen in aanraking komen, waar een ideaal is verwezenlijkt. Dit geldt op alle gebieden, ook op het gebied van kunst en in het sociale gebied.

Ik-inslag

De ik-inslag is rond het 19e jaar. Met 18 jaar en 7 maanden is de maanknoop, dat wil zeggen dat de geboorteconstellatie van zon en maan weer aan de hemel staat. Het is dan mogelijk het lot of beter gezegd hetgeen iemand zich voorgeboortelijk had voorgenomen te ervaren. De jongere gaat op zoek naar zijn idealen en waarden. Met de ik-inslag wordt het ik in de wil en de activiteit geboren. Het oordeel kan hierdoor persoonlijker worden en meer vanuit de eigen idealen worden gekleurd. Met de ik-inslag wordt de geestelijke basis voor de zelfopvoeding gelegd. Men gaat veel uitproberen, beleven en ook reizen. Veel dat wordt verboden, doet men heimelijk.

Vervroeging

Jonge mensen worden eerder zelfstandig. Vaak zien we dan het op zichzelf gerichte lagere ik optreden, een schijn-ik. Jongeren worden door de maatschappij gedwongen al vroeg keuzes te maken die voor het leven bepalend zijn. Keuzes die pas vanaf het 18e jaar kunnen worden gemaakt (hersenrijpheid), moeten al eerder worden gemaakt, zoals de vakkenkeuze op school, de vervolgstudie. Niet zelden is de keuze fout en wordt die na een crisis alsnog veranderd en wordt onder zwaardere omstandigheden een andere studie gedaan. De ontberingen die daarvoor nodig zijn (als men bijvoorbeeld geen studiebeurs heeft), worden dan vaak met plezier gedragen omdat nu de juiste keuze is gemaakt. Daartegenover staat dat we ook zien we dat bij jongeren op scholen de zelfstandigheid wordt uitgesteld, omdat ze weinig verantwoordelijkheid dragen.

 « 1234567 » 

Behalve het fysieke lichaam worden bij de mens in de antroposofische geesteswetenschap drie andere niet fysieke lichamen onderscheiden. Dit zijn:


Planetenkwaliteiten of zieletypen

Planetenkwaliteiten geven op een bepaald moment en in een situatie een kleur aan het astraallichaam. In tegenstelling tot de temperamenten die relatief vast liggen en die men wel kan ontwikkelen, maar nauwelijks kan veranderen, zijn de planetenkwaliteiten wel veranderbaar, hoewel er wel voorkeuren zijn. Ze kunnen alle zeven worden ingezet, afhankelijk van de situatie, de omgeving en de voorkeuren van anderen.

Onderscheiden worden de reagerende kwaliteiten maan (nabootsing), mercurius (snelle reactie) en venus (verzorging), de van zichzelf uit actieve kwaliteiten mars (daadkracht), jupiter (overzicht) en saturnus (doorgronden) en de neutrale zon (bemiddeling).

© Erven Tom van Gelder - Stichting AntroVista