De mens 

Specialisatie

De mens wordt als een weinig gespecialiseerd zoogdier gezien. Als de belangrijkste eigenschappen of specialisaties worden gezien:

Verhulst wijst er echter op dat deze eigenschappen juist zijn ontstaan omdat de mens zich niet specialiseert. Ze zijn het gevolg van het behouden van de foetale lichaamsvorm en de lange embryonale en juveniele ontwikkelingstijd (Verhulst, Der Erstgeborene). Organen en lichaamsdelen die embryonaal laat ontstaan, hebben door die lange ontwikkelingstijd veel tijd om te groeien en zich te ontwikkelen.

Voorbeelden van het behoud van foetale vormen zijn:

Voorbeelden van de lange ontwikkelingstijd zijn:

Ontwikkelingen als deze hebben eigenschappen als het rechtop lopen, de bevrijde handen, de spraak en het denken tot gevolg gehad.

Leren

Daar komt bij dat de mens alles moet leren, terwijl het dier veelal uit instinkt handelt. Het leervermogen van zoogdieren is groter dan van reptielen en van de mensapen is dat veel groter dan van andere zoogdieren. Het leervermogen van de mens gaat daar nog ver bovenuit. Bijna alle dieren kunnen direct na de geboorte al lopen, maar een baby leert te lopen door volwassenen na te bootsen. Dit geldt in het algemeen door alles wat een kind leert en het geldt ook voor de spraak en de taal. Dat laatste is ook handig, daardoor leren Japanse kinderen Japans en Nederlandse kinderen Nederlands.

De mens wordt bij de zoogdieren gerekend, maar er is ook veel voor te zeggen de mens in een eigen klasse te plaatsen, juist omdat de mens geen specialisaties heeft en zich daardoor onderscheidt van de zoogdieren, hoewel hij er ook veel eigenschappen van heeft.

Omgeving

Mensen komen over de gehele aarde voor: vanaf de tropen tot de poolstreken, vanaf zeeniveau tot in het hooggebergte. We leven zowel in kale gebieden en woestijnen als in waterrijke open gebieden en in het dicht beboste oerwoud. De mens kan overal leven omdat hij de omgeving aan zichzelf en zijn behoeften aanpast. Moerassen worden drooggelegd, bos wordt gekapt, maar ook doordat hij kleding draagt en huizen bouwt. Verder past hij zijn activiteiten aan zijn omgeving aan.

De mens is in de keuze van zijn omgeving in hoge mate flexibel en heeft zich niet aan een bepaalde omgeving aangepast, hij is hierin (in tegenstelling tot de zoogdieren) ongespecialiseerd.

Lichaamsbouw – algemeen

De mens heeft als meest opvallende kenmerk dat hij tweevoetig is en geheel rechtop staat. Alle gewrichten: atlas en draaier in de hals, schouders, heupen, knieën en enkels liggen in een vlak. Ook opvallend zijn het kleine, ronde hoofd en de lange ledematen, met name de benen zijn extreem lang. Doordat de mens tweevoetig is, heeft hij zijn handen niet nodig voor de voortbeweging en zijn ze ter beschikking om gereedschap te gebruiken. De opponeerbare duim maakt de handen daarvoor bij uitstek geschikt.

Opvallend is het grotendeels ontbreken van beharing, de mens kan mede daardoor goed zweten en heeft daar de mond niet voor nodig. Zo kan de mond bijvoorbeeld worden gebruikt om te spreken.

Zintuigen

Van de zintuigen zijn vooral de ogen en het gehoor goed ontwikkeld. De ogen staan aan de voorzijde van het gezicht en kunnen goed stereo kijken en daarmee diepte en afstanden zien. Kleuren worden goed onderscheiden. Het gehoor heeft het vermogen woorden en taal waar te nemen en te verwerken. Zonder het gehoor zouden de cultureel belangrijke verbale en schriftelijke communicatie niet mogelijk zijn. Ook de ogen spelen bij de communicatie een belangrijke rol, namelijk bij alles wat non-verbaal is. Dat wil niet zeggen dat allerlei zoogdieren niet beter kunnen horen of een groter bereik hebben.

Geur en smaak zijn bij de mens minder goed ontwikkeld. Dat heeft als voordeel dat het handelen van een mens minder door zijn waarnemingen wordt bepaald. Reuk heeft een directe verbinding met de hersenen en snelle reflexachtige acties zijn het gevolg. Een hond wordt door zijn reuk geregeerd. De mens kan zijn vermogen om te analyseren tussen de waarneming en zijn reactie plaatsen.

Hersenen

Het hoofd van de mens is klein ten opzichte van zijn lichaam. De schedel is rond, toch zijn de hersenen groot (circa 2% van het lichaamsgewicht, zoogdieren van gelijk gewicht komen op maximaal 0,7%). Met name de grote hersenen zijn groot. Daar is met name de neocortex ver uitgegroeid. Hiermee samenhangend zijn de mogelijkheden om te leren vergroot. Mensen kunnen hun leven lang leren. Ook het abstracte zelfstandige denken en het zelfbewustzijn worden door de neocortex mogelijk.

Ademhaling

De ademhaling gaat zoals bij zoogdieren. Het bijzondere van de menselijke ademhaling is dat deze onafhankelijk is van de beweging van de ledematen. Een mens kan zijn ademhaling vrij kiezen, dieren niet. Een mens kan een ademhaling doen per 1, 2 of 3 stappen. Bij dieren in draf of galop is er iedere stap een ademhaling, de beweging van de poten drukt de lucht uit de longen. Afhankelijk van zijn inspanning kan een mens zijn ademhaling variëren. Daardoor kan een mens iedere snelheid en inspanning kiezen. Zie Verhulst.

Een tweede kenmerk is dat de ademhaling niet wordt gebruikt om warmte af te staan. Dieren hijgen als het warm is of liggen met de bek open. De mens heeft zweetklieren die alleen vocht afscheiden, waardoor hij warmte kan afstaan. Zweetklieren van zoogdieren scheiden ook altijd geurstoffen af.

De menselijke ademhaling is bevrijd van zijn gebondenheid aan de snelheid van de voortbeweging en de warmteregulatie. Daardoor kan de ademhaling andere functies dienen, namelijk de spraak en als afgeleide daarvan de zang.

Bloedsomloop

Geen vermeldenswaardige gegevens gevonden.

Spijsvertering en voedsel

Een mens kan alles eten, er zijn (bijna reine) vis- en vleesetende mensen en er zijn pure vegetariërs, beide kan en alles wat er tussen zit. Mensen zijn in staat om allerlei voedsel te eten en daarvan in leven te blijven. Onder de zoogdieren zijn alleseters, maar deze dieren moeten alles eten. Dat is het verschil met de mens, die kan alles eten, mits er voldoende voedingsstoffen in zitten.

Voortplanting

Het belangrijkste verschil van de voortplanting van de mens met de zoogdieren is dat hij langzaam gaat. De draagtijd van het embryo is met 9 maanden extreem lang ten opzichte van het lichaamsgewicht. Daarna volgen de lange leer- en ontwikkelingstijd in de jeugd. De geslachtsrijpheid treedt bovendien laat op. Aan het eind van het leven is er nog een lange post-reproductieve fase, iets wat bij dieren nooit voorkomt. Alle dieren sterven terwijl ze nog vruchtbaar zijn.

Een ander verschil is dat liefde en seksualiteit zijn losgekoppeld van de voortplanting.

Voortbeweging

De mens beweegt zich op twee benen voort. Staan kost een mens nauwelijks meer energie dan zitten. Een mens gebruik om te staan maar 7% meer zuurstof dan om te liggen, voor dieren is dit veel meer, omdat zij spierarbeid moeten verrichten om hun kop en hals en hun rug en ledematen gestrekt te houden. Als tweevoeter is hij goed in evenwicht. De mens heeft daarmee de zwaarte van de zwaartekracht voor het grootste deel overwonnen.

Door het staan heeft hij de armen en handen vrij om andere dingen te doen, we kunnen met de handen allerlei dingen maken.

Conclusie

De mens onderscheidt zich van de zoogdieren doordat hij:

Dit alles maakt dat een mens vrij op de aarde staat en daar net zo moeiteloos in evenwicht is als een vis in het water.


Schrijven: een bijzonder menselijk vermogen, mogelijk door de opponeerbare duim en het gebruik van gereedschappen, zoal de pen


De denker van Rodin laat een typisch menselijke pose zien


Opvallend lang zijn de benen van de mens in vergelijking tot de armen, bij de chimpansee is dat niet zo, daar zijn juist de armen langer


Leeftijd en levensfasen van een aantal apen en de mens. De mens wordt erg oud en heeft een extreem lange draagtijd en leertijd. Als enige heeft hij een lange post-reproductieve levensfase.


Gelukkig voor dit meisje leert ze door nabootsing
en spreekt ze prefect Japans.


De mens staat rechtop. Alle gewrichten liggen in een vlak.


Doorsnede van de hersenen van de mens
1 = grote hersenen met groeven en windingen; 2 = hersenbalk; 3 = kleine hersenen; 4 = verlengde merg; 5 = brug van Varol; 6 = ruggemerg; 7 = centraal kanaal; 8 = voortzetting van het ruggemergskanaal in de hersenen; 9 = reukzenuw; 10 = kruising van de gezichtszenuw; 11 = hypofyse; 12 = epifyse; 13 = slaaplob


Het spijsverteringskanaal van de mens: maag, dunne darm, dikke darm en kleine blinde darm zijn aangegeven

© Erven Tom van Gelder - Stichting AntroVista