Diversen 

Op deze pagina staan enkele onderwerpen die met de vorige pagina's in verband staan.

Pedagogische hoofdwet

De pedagogische hoofdwet van Steiner zegt, dat de opvoeder of volwassene op de ontwikkeling van het kind inwerkt vanuit het naast gelegen wezensdeel. Kinderen in de kleuterleeftijd ontwikkelen hun fysieke lichaam, de opvoeder werkt hier met zijn etherlichaam op in. Dat houdt in dat de opvoeder aan zijn etherlichaam werkt en het vervolmaakt. Juist het voordurend werken aan het etherlichaam is belangrijk. Bij de opeenvolgende leeftijden gaat dat net zo.Bij kinderen van 7 tot 14 moet men aan zijn astraallichaam werken. Bij jongeren van 14 – 21 werken opvoeders aan hun ik-organisatie en bij jongeren van 21 – 28 aan hun geestzelf. Dat betekent dat men samen moet werken aan de ontwikkeling van de opleiding. Dat werkt vormend op het ik van de leerlingen. Zie Heilpedagogische cursus, 2e voordracht.

Opvoeder werkt met zijn ... in op het ... van het kind/de jongere in de leeftijd van
Etherlichaam Fysieke lichaam 0 - 7
Astraallichaam Etherlichaam 7 - 14
Ik-organisatie Astraallichaam 14 - 21
Geestzelf Ik-organisatie 21 - 28

Periode-onderwijs

Periode-onderwijs is het aanbieden van lesstof (theoretisch dan wel praktisch) in een paar (meestal 3 of 4) weken gedurende elke dag van de week. Doordat de lessen geconcentreerd in die weken worden gegeven moeten de docent en de leerling zich met de lesstof uiteenzetten, ontstaat er betrokkenheid en vindt er verdieping plaats.

Na die weken wordt het vak afgesloten en kan de lesstof vergeten worden. Dat betekent niet dat alles verdwijnt, het is eerder alsof men erover slaapt. In het onbewuste wordt de stof verwerkt en daar moet tijd overheen gaan, zoals we tijd nodig hebben om de dagelijkse ervaringen te verwerken in de nacht. Zijn we er halfbewust mee bezig, dan blijven ze op de maag liggen en worden ze niet verwerkt. Vergeten is belangrijk voor de verwerking. Wanneer het vak na een langere tijd weer wordt opgepakt, is het ineens makkelijker geworden en wordt het beter begrepen dan eerst. Leren is zo bezien een afwisseling van aanbieden en verwerken en vergeten.

Belangrijk is dat er in de periode hard wordt gewerkt, dat de docent enthousiast is voor zijn vak en voor de dingen die hij met de leerlingen doet. De periode moet bruisen en er moeten flinke eisen aan de leerling worden gesteld, want als er te weinig wordt opgenomen is er niets om te verteren en kunnen capaciteiten niet groeien en rijpen. Er is interactie (bijvoorbeeld klassegesprek) nodig, de stof wordt verwerkt en er worden opdrachten gemaakt.

Door de concentratie die er is kan er meer stof worden opgenomen en die stof komt dieper aan. Doordat hij zich intensief met een onderwerp verbindt, ontstaat er bij de leerling eerder persoonlijke interesse. Hij kan aspecten van zichzelf in de stof herkennen en aspecten van de aangeboden stof op zichzelf betrekken. Lesstof wordt zo een persoonlijke aangelegenheid en is zo meer dan alleen kennis of een vaardigheid.

Doordat de leerling in sommige dingen interesse ontwikkelt en in andere niet ontstaan er ook richting en zingeving voor het verdere leven. Het is belangrijk om te vergeten, omdat de aangeboden stof door de leerling moet worden omgevormd naar iets waar hij wat mee kan en waar hij wat aan heeft. De duur (vaak vier weken) is bepaald door het ritme van het levenslichaam, dat de plaats is waar de gewoontes zitten. Oefent men iets vier weken dan kan het een gewoonte worden en kent of kan men het.

De interactie tussen docent en leerlingen is in een periode intensief. Je kunt elkaar niet ontlopen, omdat je elkaar iedere dag ontmoet en je moet je wel met elkaar uiteen zetten. Dat houdt ook in dat de periode ontstaat in interactie met de klas en met iedere groep anders verloopt. De lesstof wordt in beginsel gelijk aangeboden, maar steeds op een andere manier opgenomen en verwerkt, waardoor er andere accenten ontstaan.

Samengevat is periode-onderwijs efficiënt omdat het:

Nachtleren

Frappant is dat iets wat men de ene dag oefent, de volgende dag beter wordt beheerst. Zo kan men ook waarnemen dat bij het ontwaken problemen van de dag ervoor vaak zijn opgelost of dat men weet wat men moet doen. Veel van de beste invallen zijn er direct na het ontwaken. Tijdens de nacht is er iets gebeurd met hetgeen men de dag ervoor heeft gedaan of geleerd. Dat betekent dat leren en verwerken tijdens de nacht doorgaan.

Heftige gebeurtenissen vragen enkele dagen en nachten om verwerkt te worden. In het onbewuste gaat de verwerking door. Bij het leren moeten we dus de nacht betrekken. In de nacht doorlopen we de vorige dag van achter naar voren, dus aan het eind van de dag zijn we weer bij de morgen van de vorige dag aangekomen. In het periodeonderwijs wordt hiervan gebruik gemaakt doordat de les direct aansluit bij hetgeen men in de nacht het laatst heeft beleeft. Het leren in de nacht wijst er ook op dat het verwerken van iets dat is geleerd doorgaat, ook als men er niet mee bezig is. Capaciteiten rijpen in de nacht en in perioden dat men vergeet.

Positieve en negatieve krachten in denken, voelen en willen

In de ziel worden denken, voelen en willen onderscheiden. Die vermogens kunnen worden opgebouwd en afgebroken door de manier waarop iemand ermee omgaat. Als er interesse is en eigen oordelen worden gevolgd komt men tot de waarheid. Is er geen interesse en kijkt men dogmatisch naar de omgeving dan komt men niet tot de waarheid, maar ontstaan onwaarheden en leugens. Zo ook leidt positieve activiteit in het voelen tot liefde en negatieve activiteit tot angst en haat en ontstaan in de wil vrijheid of het streven naar macht. In onderstaande tabel is dit samengevat. Onderwijs moet hiermee rekening houden en kan hierin sturend optreden. Leerblokkades hebben onder andere hun basis in een van de drie negatieve houdingen (desinteresse, dogmatiek; kritiseren, angst; gebrek aan vertrouwen, manipulatie) (Glöckler, 1997).

Vermogen Opbouwen door Ideaal Afbreken door Anti-ideaal
Denken (en waarnemen) Interesse, eigen oordeelsvorming Waarheid Dogmatiek, desinteresse, snelle antwoorden Leugen, onwaarheid
Voelen Zien en waarderen van het positieve Liefde Kritisern, negatieve kritiek Haat, angst
Willen (handelen) Zelfvertrouwen en vertrouwen inde ander/ het andere Vrijheid Manipulatie, anderen voor je doelen gebruiken, poitiek bedrijven Zelfverheerlijking, machtsstreven, dictatorschap

Literatuur

 « 1234567

© Erven Tom van Gelder - Stichting AntroVista