Vissen 

Inleiding

Vissen leven in het water en ze zijn makkelijk te zien. Ze kunnen een tijdje stilstaan en ineens wegschieten, maar ook kunnen ze langzaam wegzwemmen. Ze bewegen zich moeiteloos door zachtjes met hun staart te bewegen.

Ze maken een sierlijke indruk door hun ranke lichaam en hun bewegende dunne vinnen. Buiten het water zijn ze reddeloos verloren: op het droge liggen ze hulpeloos te spartelen.

Grootte

Vissen zijn gemiddeld genomen klein, de meeste soorten zijn korter dan 1 meter. Bij de kraakbeenvissen loopt het van 22 cm bij de dwerghaai tot 8 meter (record 15 meter) bij de walvishaai. Bij de beenvissen is de kleinste een dwerggovie van nog geen centimeter lang en 2 milligram zwaar en de grootste een steur van 8 meter en 1400 kilo.

Walvishaai
Haring
Tropische vissen

Groepen

Er wordt onderscheid gemaakt tussen kraakbeenvissen (haaien en roggen) en beenvissen (alle andere vissen). Er zijn ook zwemmende zoogdieren: dolfijnen, bruinvissen en walvissen. Een makkelijk zichtbaar uiterlijk verschil is dat de vissen een verticale staart hebben en de zoogdieren een hori­zontale staart.

Kraakbeenvissen hebben een skelet van kraakbeen. Op de huid hebben ze geen schubben, maar huidtandjes. Dit zijn kleine tandjes, die naar achteren zijn gericht. Verder hebben kraakbeenvissen geen kieuwdeksel op de vijf kieuwspleten en geen zwemblaas. Hun lichaam is horizontaal afgeplat.

Beenvissen hebben een verbeend skelet en schubben op de huid. De vier kieuwspleten zijn bedekt met een kieuwdeksel en ze hebben een zwemblaas. Het lichaam is veelal verticaal afgeplat.

Omgeving

Vissen zwemmen en zweven moeiteloos in het water. Hun leefruimte wordt aan de bovenkant begrensd door het wateroppervlak. Onder water ziet die bovenkant er uit als een beweeglijke spiegel. De kleur ervan verandert met de lucht en voorwerpen zijn vertekend alleen zichtbaar als ze dichtbij zijn. Vissen kunnen niet verder kijken dan de waterspiegel en zijn gevangen in het water, ze hebben nauwelijks de ervaring dat er buiten het water nog iets is.

Enkele eigenschappen van water als milieu:

Lichaamsbouw – algemeen

Vissen drijven in het water, het kost ze geen moeite om op een bepaalde plaats te blijven, ze zakken niet naar de bodem, ze zijn net zo zwaar als het water en ze leven gewichtloos. Ze doen dat met hun zwemblaas (zie verderop).

Hun slijmerige, geschubde en gladde huid vormt een overgang tussen hun lichaam en het water. Het slijm zorgt er voor dat ze met slechts een derde van de weerstand door het water glijden. De huid is doorlatend voor water, daarbuiten droogt een vis snel uit.

Het lichaam van vissen vormt een doorlopend geheel, er is geen hals als verbinding tussen kop en romp. Ook zijn er geen ledematen. Aan het eind van het lichaam zit een staart en er zijn borst-, rug en buikvinnen. Met de vinnen bewegen ze zich voort.

Het lichaam van der meeste vissen is langgerekt, torpedovormig en verticaal afgeplat. Het is naar voren gericht en op de verte georiënteerd. Door de zwemblaas, die onder het midden van het lichaam zit, weegt een vis het minst aan de onderzijde, het zwaarste zijn ze aan de rugzijde. Hierdoor en door de verticale afplatting moet de vis een actief, dynamisch evenwicht bewaren. Als een vis dood is drijft hij schuin met de buik naar boven. Kraakbeenvissen hebben geen zwemblaas en zakken als ze niet bewegen naar de bodem. Ze hebben ook een matig (haaien) tot sterk (roggen) horizontaal afgeplat lichaam.

Achter de ogen ligt de kieuwplaat, daar achter liggen de kieuwen. Kraakbeenvissen hebben geen kieuwplaten; de kieuwspleten zijn aan de buitenkant zichtbaar.

In onze streken zijn veel vissen zilverkleurig, in de tropen kunnen ze de meest fraaie kleuren aannemen.


Het skelet

Zintuigen

Er is links en rechts een oog, waarmee vissen bijna de gehele omgeving in een keer kunnen zien. De ogen kunnen niet dicht en er zijn geen oogleden. Een vis zit met zijn geopende ogen in zijn omgeving en kan zich er niet van afsluiten. Ze nemen alleen dingen waar die dichtbij zijn en nemen vooral bewegende voorwerpen en organismen waar. Ze houden hun rug naar de zon gekeerd. Als het licht schuin invalt, gaan ze schuin zwemmen.

Ze vangen geluid op met de zwemblaas en horen met het oor, waar zich ook het evenwichtsorgaan bevindt.

Het zijlijnorgaan, de zogenaamde zijdestreep, neemt drukverschillen en golven waar. Zo merken vissen of er iets aankomt. Ook warmte en kou kunnen met dit orgaan worden waargenomen, zo kunnen trekkende vissen, die water van een bepaalde temperatuur willen volgen, de temperatuur controleren.

Smaakpapillen zitten op de mond, op de kop en ook op het lichaam. Het reukzintuig bevindt zich in twee reukgroeven voor de ogen, waarmee ze nauwkeurig kunnen ruiken. Omdat stoffen in het water ver dragen en in opgeloste vorm goed waarneembaar zijn, kunnen kleine concentraties stoffen bijzonder goed worden opgemerkt.

Vissen zijn door hun zintuigen voortdurend en intensief met de gehele omgeving verbonden. Ze kunnen zich niet van hun omgeving afsluiten.

Hersenen

De hersenen zijn niet sterk ontwikkeld, de kleine hersenen, die het evenwicht sturen, wel. De middenhersenen dienen voor het zien en zijn de plaats voor de zenuwcoördinatie. De grote hersenen dienen voornamelijk voor het reukvermogen.

Ademhaling

Vissen ademen door water te happen en dat langs de kieuwen te leiden, het water gaat er aan de zijkant bij de kieuwspleten weer uit. In de kieuwen wordt 80% van de O2 uit het water gehaald en tegelijk wordt er CO2 afgegeven.

Vissen hebben relatief weinig O2 nodig omdat ze weinig voedsel verbranden, doordat ze koudbloedig zijn en gewichtloos zweven. Warmbloedige dieren gebruiken namelijk de meeste energie om warm te blijven.

Beenvissen hebben vier kieuwspleten met een kieuwplaat, haaien hebben er vijf.

Vissen hebben geen longen, maar wel een zwemblaas, die een uitgroeisel is van de slokdarm (net als de longen). Bij sommige jonge vissen is er een verbinding en ze vullen de zwemblaas door lucht te happen.

De lucht in de zwemblaas komt uit het bloed. Een vis regelt zo zijn soortelijk gewicht. Hij zweeft gewichtloos en heeft hetzelfde soortelijk gewicht als water.

Een vis daalt door O2 uit de zwemblaas te halen en stijgt door O2 naar de zwemblaas te laten gaan.

Bij longvissen kan de zwemblaas ook als ademhalingsorgaan dienen. Wanneer deze vissen droogvallen kunnen ze er enigszins mee ademen.

Bloedsomloop

Vissen zijn koudbloedig. De bloedsomloop is enkelvoudig. Het hart heeft een boezem en een kamer. Het bloed gaat van het enkelvoudige hart naar de kieuwen waar O2 wordt opgenomen en CO2 wordt afgestaan. Vandaar gaat het naar het lichaam waar CO2 wordt opgenomen uit de weefsels en O2 wordt afgestaan en vervolgens weer naar het hart.

Spijsvertering en voedsel

Vissen drinken niet. In de bek staan overal (niet alleen op de kaak) puntige tanden, die alleen gebruikt kunnen worden om voedsel vast te pakken. Het voedsel is per soort verschillend en kan alles zijn: er zijn planktonetende, algenetende, plantenetende, insectenetende, visetende en aasetende vissen. De maag is eenvoudig gebouwd. De dunne en dikke darm zijn recht en kort. Het gehele spijsverteringskanaal is kort, vaak net zo lang als de vis tot 1,5 x de lichaamslengte.

Voortbeweging

Vissen hebben geen ledematen, maar vinnen. De krachtig gespierde staart met de staartvin dient voor de voortbeweging. Behalve door de staart beweegt ook het lichaam slangachtig waardoor de voortbeweging wordt versterkt. De rug- en aarsvinnen hebben dezelfde betekenis als de kiel van een schip, namelijk omkantelen en afdrijven voorkomen. De borst- en buikvinnen worden gebruikt bij het stijgen en dalen.

Vissen zwemmen vaak in scholen. Een school zwemt in gelijke richting en verandert in een keer van richting, dit is groepsgedrag. Een school kan worden opgevat als een hoger organisme, omdat door alle dieren tegelijk dezelfde beweging wordt gemaakt.


De inwendige organen

1 = slokdarm; 2 = maag; 3 = darm; 4 = einddarm; 5 = eierstok; 6 = nier; 7 = zwemblaas (te hoog getekend, ligt onder het midden); 8 = lever; 9 = galblaas; 10 = boezem van het hart; 11 = kamer; 12 = kieuwslagaderstam; 13 = kieuwen met slagaders en aders; 14 = aorta; 15 = lichaamsader, waarvan een tak van de kop komt.

Voortplanting

Er is bij beenvissen meestal geen goed ontwikkeld voortplantingsgedrag (balts), maar er zijn mooie uitzonderingen (stekelbaarsje, cichliden). De eieren worden uitwendig bevrucht en worden in het water afgezet. Nadat het vrouwtje de eieren heeft afgezet, zwemt het mannetje er overheen en laat het zaad erover val­len. Er zijn in het algemeen grote hoeveelheden (100.000 – 1.000.000) eieren. De eieren worden veelal niet bewaakt. Er worden veel jonge vissen geboren, maar veel eieren en jonge vissen worden door predatoren opgegeten. Een vis moet direct na de geboorte zijn eigen weg vinden en voedsel zoeken.

Er zijn ook vissen die aan baltsgedrag doen en een nestje maken. Ook hier zet het vrouwtje de eieren af en zwemt het mannetje er overheen om ze te bevruchten. Ook bij zogenaamde levendbarende vissen gebeurt alles uitwendig. De jonge visjes bevinden zich dan in een buidel van het lichaam. Vermeldenswaard is dat bij een fossiele vis van 380 miljoen jaar geleden het jong via een op een navelstreng lijkende band is verbonden met de moedervis. Dat komt nu niet meer voor.

Haaien hebben een afwijkende voortplanting. Er is hier een inwendige bevruchting. Er worden drie groepen onderscheiden. De eerste groep legt enkele eieren, die zich in leerachtige zakjes bevinden. De grootste groep haaien zijn eier-levendbarend, zij baren levende jongen, het embryo voedt zich met de dooier en met vloeistoffen die vanuit de eileider worden afgegeven, sommige ervan eten ook de andere eieren op. En dan is er een derde groep waarin de eicel zich met de baarmoederwand verbindt en er een soort placenta ontstaat. Dit zijn levendbarende vissen.

Ontwikkeling van de haring

Enkele soorten

Zalm Zalmen worden geboren in beken aan de bovenloop van rivieren. Daarna gaan ze naar zee. Daar blijven ze een aantal jaren en na die tijd keren ze terug naar hun geboorteplaatsen. Sommige soorten moeten daarvoor duizenden kilometers tegen de stroom in zwemmen. Ze vinden de weg terug door hun geheugen en de geur. Ze herkennen de geur van hun geboorteplaats (chemische stoffen in het water van gesteenten, rotsen, grondsoorten, beplanting etc). Tijdens hun verblijf in zoet water eten ze niet. De mannetjes komen meestal het eerst terug, de wijfjes kiezen de paaiplaats. De wijfjes graven kuilen in het grind door heftige bewegingen van de staart tot er nesten zijn ontstaan van soms wel 3 meter lang en 30 cm diep. Tijdens de paring liggen beide dieren naast elkaar. Ze paren meerdere keren, voor iedere paring wordt een nieuw nest gemaakt en na iedere paring wordt het nest toegedekt. Als de eitjes zijn afgezet, laten de dieren zich langzaam naar zee afdrijven, uitgeput en vatbaar voor ziektes. De meeste overleven de paaitijd niet, maar vissen die de zee wel halen herstellen zich snel.

Paling Palingen maken de omgekeerde beweging. Van palingen leven de wijfjes ongeveer 8 jaar in zoet water, ze zijn dan niet geslachtsrijp. Daarna trekken ze stroomafwaarts naar zee, waar ze de mannetjes ontmoeten. Ze eten dan niet meer en hun spijsverteringskanaal degenereert. Ze krijgen grote ogen en het uiterlijk van een diepzeevis. De kuit ontstaat. Ze zwemmen in circa 6 maanden naar paaiplaatsen, voor onze palingen is dat de Sargassozee bij het Caribisch gebied en ze zetten de eitjes op 1000 meter diepte af. De jonge aaltjes trekken in ongeveer 3 jaar met de golfstroom mee naar de kusten en zwemmen de rivieren weer op. Op zee nemen ze geen voedsel op, pas als ze op de rivieren zijn gaan ze eten.

Paling
Glasaal

Samenvatting

Vissen zwemmen en zweven moeiteloos in het water. Ze zijn er geheel door omgeven, van afhankelijk en in gevangen. Het water bepaalt hun temperatuur en de oppervlakte is een spiegel. De zintuigen staan altijd open, vissen kunnen zich niet afsluiten. De voortplanting is uitwendig en het resultaat is afhankelijk van de omgeving.

Het lichaam is een gestroomlijnd geheel en is zijdelings afgeplat. Vissen hebben een dynamisch evenwicht.


Haring: torpedovormig en verticaal afgeplat lichaam, de kop gaat zonder nek ver in de romp, zilverkleurig


Een kleurrijke tropische vis: de clownvis


Sterk verticaal afgeplat en kleurrijk: de keizersvis


De grootste haai is de walvishaai, hij is horizontaal afgeplat


Kabeljauw met duidelijk zichtbaar het zijlijnorgaan


Links: dood of statisch evenwicht, er is geen beweging mogelijk. Rechts: dynamisch evenwicht dat gehandhaafd moet worden.


Schubben van een beenvis


Makreel


Een haai

Hersenen van een kraakbeenvis (V = grote hersenen, M = middenhersenen en H = kleine hersenen)


Hersenen van een beenvis


Detail van de kop, waarop de vijf kieuwspleten te zien zijn die voor de buikvinnen liggen


Het hart


De bloedsomloop


Het spijsverteringskanaal van een doktersvis (vergroot weegegeven)


En van de harder


Spijsverteringskanaal van een herbivore vis (boven) en een carnivore (onder)


Zalmen die tegen de stroom in zwemmen


Paling


Een manta (kraakbeenvis) met geopende bek

© Erven Tom van Gelder - Stichting AntroVista