Woordzin 

De woordzin (of spraakzin) en de volgende twee zintuigen (denkzin en ik-zin) zijn voor het eerst door Rudolf Steiner onderscheiden. Ze worden geestelijke zintuigen genoemd, omdat ze zijn gericht op het waarnemen van menselijke eigenschappen, namelijk de gesproken taal, de gedachten en de individualiteit van de ander.

Spraakzin neemt de gesproken taal waar. Er is een verschil tussen de waarneming van geluid en muziek en van gesproken taal. Bij het luisteren naar taal zijn er de klinkers en medeklinkers waaruit de woorden zijn opgebouwd. Met het oor neem je het akoestische en muzikale deel waar, maar niet het wezen van de spraak. Dat doe je met de spraakzin.

Bij een ontmoeting zie je aan de lichaamshouding, de gezichtsuitdrukking, de blik in de ogen, de gebaren van de handen en het lichaam en de klank van de stem iets van de innerlijke toestand en het karakter van de ander. Door het gesproken woord van iemand kun je ook zijn gedachten, meningen, oordelen, ervaringen en persoonlijkheid waarnemen.

Wanneer je naar iemands woorden luistert, is het eerste dat je waarneemt niet hetgeen er wordt gezegd, maar hoor je in het ritme en de intonatie andere dingen, namelijk of er instemming of afwijzing is, of er hoon of verwondering is, of het positief of negatief bedoeld is, etc. Je hoort dus meer dan alleen de inhoud. De inhoud van korte reacties is zelfs alleen uit de context en de klankkleur goed te plaatsen. Je neemt dus waar hoe de spreker het heeft bedoeld en daarmee neem je iets van zijn innerlijk waar.

Woorden hebben een ervaarbaar gebaar in zich. Snel heeft een ander gebaar dan fluks, traag is anders dan langzaam. De betekenis is min of meer gelijk, maar het gebaar van de letters in het woord is verschillend. Een woord is een klankbeeld van de elkaar opvolgende letters. Het waarnemen van het klankbeeld is een andere waarneming dan het gehoor.

Dit klankbeeld wordt meestal niet van geluid onderscheiden omdat taal net als andere geluiden met het oor wordt waargenomen. Maar het oor blijkt er alleen te zijn om het geluid te registreren, want bij het uitspreken van letters, die je zelf ook hoort, maakt het lichaam onophoudelijk heel kleine bewegingen. Het zijn nauwelijks zichtbare en onbewuste microbewegingen die op vele plaatsen in je lichaam optreden en die voor iedere letter specifiek zijn en altijd optreden. Men heeft dit waargenomen door met een snelle camera foto's te maken van pratende mensen. De toehoorder begint binnen 50 milliseconden (0,005 seconde) dezelfde kleine bewegingen te maken als de spreker. Dat de spreker de bewegingen maakt komt doordat hij naar zijn eigen woorden luistert. Bijvoorbeeld treden er bij een W die wordt uitgesproken of wordt gehoord nauwelijks waarneembare, snelle bewegingen op bij het hoofd, de ogen, de wenkbrauwen, de mond, de borst, de rechterschouder, de elleboog, de rechterpols en de vingers. Bij de volgende letter zijn er weer andere bewegingen. Dezelfde letter wekt bij verschillende mensen dezelfde bewegingen op, ook als ze uit andere culturen komen. Bij baby's zijn de bewegingen al op de eerste levensdag waar te nemen. Het gaat hier dus om een universeel verschijnsel. Deze snel wisselende microbewegingen staan in verbinding met het horen van taal. Het zijn klankgebaren.

Rudolf Steiner wees al op het verschijnsel, dat je woorden alleen kunt begrijpen doordat je een fysiek bewegingsapparaat hebt. De spieren zijn het zintuigorgaan voor de woordklanken. Je neemt spraak met je oren waar. Van daar lopen er zenuwen naar het ruggemerg en van daar naar het gehele spierstelsel, waar je onbewust de microbewegingen van de gehoorde klanken maakt en op die manier de gebaren van de klanken meebeleeft. Het horen van taal gebeurt dus niet alleen in het oor, maar in het gehele spierstelsel. Dat is het zintuig voor het waarnemen van de spraak.

De spraakzin kun je breder gebruiken.. Ook zichtbare gebaren neem je waar, bijvoorbeeld in de gebarentaal van de handen en armen of de mimiek van het gezicht. Bij het waarnemen van die gebaren beweeg je met je spieren ook een beetje mee en ook hier worden de bewegingen niet zichtbaar en zijn ze snel weer verdwenen. Je gebruikt de spraakzin dan dus niet alleen voor het waarnemen van woorden, maar ook voor het waarnemen van gebaren.

Oefeningen

Luister aandachtig naar iemand. Neem waar wat je in de stem kunt horen: inhoud, gebaar, etc, toonhoogte. Beschrijf zoveel mogelijk aspecten. Probeer nu los te komen van de inhoud. Wat kun je dan in de stem horen? (Het is niet makkelijk om los te komen van de inhoud. Een variant is om naar een taal te luisteren die je niet kent, bijvoorbeeld via de radio. Welke gebaren neem je waar in die taal?)

Beschrijf het verschil tussen een zingende vogel en een muziekstukje, dus in het algemeen tussen een dierlijk geluid (niet mechanisch) en een muziekstuk.

Beluister het verschil tussen het spelen op een fluit en zelf met de mond fluiten.

Maak via woordeuritmie de gebaren van letters en woorden zichtbaar. Probeer te ervaren of het euritmische gebaar overeenkomt met jouw ervaring.

© Erven Tom van Gelder - Stichting AntroVista