Marterachtigen 

Op deze pagina worden de Nederlandse marterachtigen besproken, gekarakteriseerd en ingedeeld in de drie eerder beschreven groepen. Zij laten veranderingen in vachtkleur en voedselvoorkeur zien, die samenhangen met de driegeleding.

Besproken worden: wezel, hermelijn en bunzing - drie verwanten uit geslacht kleine marters (Mustela) -, steen- en boommarter, otter en das. Sommige soorten hebben een verlengde draagtijd (zie bij herten) en op de das na leven ze alle solitair.

Inleiding

De wezel is een klein, slank roofdier van 20 cm met een korte staart. Hij lijkt op een slanke, lange muis, die zich snel met golvende bewegingen en grote sprongen verplaatst. Het is een nieuwsgierig en beweeglijk dier, dat graag aanvalt (vooral muizen, maar ook grotere dieren) en prikkelbaar is. Wezels achtervolgen muizen in hun gangen en holen en staan geregeld op hun achterpoten om te kijken. Ze zijn zowel overdag als 's nachts actief.

Wezel - overzicht
Een wezel op jacht

Ook de hermelijn staat vaak op zijn achterpoten op de uitkijk. Hij lijkt op een grote wezel en onderscheidt zich door een langere staart met een zwarte punt. Hij springt meer dan hij rent en bolt daarbij steeds zijn rug, daardoor valt de nadruk in de verschijning op het achterlichaam. Een hermelijn is een nieuwsgierig dier, dat relatief vaak te zien is. Als je hem hebt gezien en je fluit, komt hij weer terug en kijkt om zich heen. Hij is een fanatieke jager en is overdag en 's nachts actief.

Hermelijn - overzicht
Een rennende en spelende hermelijn

De bunzing is een stuk groter en is donker gekleurd met een lichtere rug. Hij is actief in de schemering en de nacht. Hij jaagt door een gebied af te zoeken naar holtes, nissen en holen. Hij loopt met bolle rug. Prooien bespringt hij bij verrassing. Overdag slaapt hij in een hol of onder een hoop takken.

Bunzing - overzicht
Een bunzing in een konijnenhol

Wezel, hermelijn en bunzing komen bijna overal voor, met name in open en half-open cultuurgebieden. Ook op boerderijen worden ze aangetroffen. De bunzing heeft een voorkeur voor de nabijheid van water.

Boom- en steenmarter lijken op elkaar en zijn ongeveer even groot. Ook de behendigheid, souplesse en klimvaardigheid hebben ze gemeen. Hun habitat is verschillend, de boommarter komt vaker voor in het bos, de steenmarter meer bij bebouwing.

De boommarter is de betere klimmer. Hij komt vooral voor in gebieden met veel bos. Hij is vooral actief in de schemering en de nacht en kan goed klimmen. De boommarter is een felle jager, die in boomkruinen klimt en springt en achter eekhoorns aanzit, de zwaartekracht ontkennend. Ook nestkasten zijn niet veilig voor deze acrobaat.

Boommarters op zoek naar voedsel
Een boommarter op muizenjacht

De steenmarter dankt zijn naam aan zijn voorkeur voor steenachtige biotopen en schuilplaatsen, zoals steengroeven, rotsige hellingen en gebouwen. Hij heeft ongeveer het formaat van een slanke kat en is alleen actief in de nacht. Hij is een opportunist en eet wat hij tegen komt. Onder de motorkap kunnen steenmarters schade veroorzaken aan bedrading en isolatiemateriaal. Het zijn voornamelijk jonge dieren die de bedrading doorbijten, om de eetbaarheid ervan uit te proberen. Vaak zijn Japanse auto's het doelwit, omdat er kabels worden gebruikt die visolie bevatten. Volwassen dieren laten de draden met rust. Ook klagen mensen over de stank en het lawaai van dieren die in hun huis een nest hebben gemaakt. (Geen goede video's gevonden.)

De otter vinden we bij het water, met name in veengebieden met sloten en plassen. Hun hol hebben ze in de glooiing van de oever, de ingang bevindt zich veelal onder water. De otter is dag- en nachtactief. Ook hij kan nieuwsgierig zijn en oplettend recht overeind staan. Otters kunnen 7 tot 8 uur achter elkaar zwemmen.

Zich poetsende otter
Een zwemmende otter

De das komt in de schemering te voorschijn en is overdag te vinden in zijn burcht. In de winter kan hij wekenlang in rust gaan in zijn burcht. Hij teert dan op zijn vetreserve. Hij is omnivoor. Burchten gaan soms generaties lang mee en worden continu uitgebreid. Sommige burchten zijn zelfs al enkele honderden jaren in gebruik. Ze worden over het algemeen gegraven in struiken, heggen en houtwallen. De burcht heeft drie tot tien ingangen, die tien tot twintig meter van elkaar af liggen. Voor de ingangen liggen hopen aarde en oud nestmateriaal.

Das - overzicht
Foeragerende dassen

Marterachtigen laten veel eigenschappen van het zenuw-zintuigstelsel, van zenuw-zintuigdieren, zien, zoals bij de knaagdieren. Het kleine lichaam, het hoger gebouwde achterlichaam, de grote zintuigen en nieuwsgierigheid, hun snelle reactievermogen, de grote bewegingsactiviteit en het maken van holen zijn kenmerken die knaagdieren ook hebben. Opvallend is ook dat veel soorten op hun achterpoten staan om te kunnen kijken en dat veel dieren hun rug bol zetten, zodat daar in de verschijningsvorm meer nadruk op valt.

Kenmerken vergeleken

Grootte en lichaamsbouw

Alle dieren hebben een lang, gestrekt lichaam, een lange schedel en nek en vaak een bolle rug. De poten zijn kort. Bij de grotere dieren is duidelijk te zien dat het achtereind van het lichaam hoger en dikker is dan de zoorzijde. De kleinere dieren houden de rug gebold. Tijdens het lopen springen ze golvend, ze springen vaak.

De wezel is het kleinste, de das het grootste dier. Wezel, hermelijn en bunzing zijn het kleinst en hebben kortere poten dan de andere dieren. Bij alle soorten zijn de wijfjes een stuk (tot 30%) kleiner dan de mannetjes. Alle aangaven hieronder zijn gemiddelden.

De wezel is met een lengte van 20 cm en een hoogte van 4 cm het kleinste roofdier. De staart is kort (6 cm). Mannetjes zijn met 65 gram veel groter dan de wijfjes met slechts 35 gram lichaamsgewicht. Het lichaam is langgerekt en de nek is niet dunner dan de borst of de kop. Het lichaam lijkt wel wat op een dikke sigaar. De zintuigen zijn relatief groot.

De hermelijn is ook langgerekt en lijkt veel op een grote wezel. Mannetjes zijn 30 cm, daarbij komt nog een staart van 12 cm en ze wegen 350 gram.

De bunzing is veel groter en dikker en iets gedrongener dan de vorige twee dieren. Het achterlichaam is boller en de nadruk ligt daar op. Ze zijn 40 cm, de staart is 14 cm. Mannetjes wegen 1200 gram.

Dan volgen in grootte de steen- en de boommarter, die elkaar in grootte niet veel ontlopen. De steenmarter is zwaarder en de boommarter heeft langere poten. De boommarter is 45 cm lang, de staart voegt daar nog 20 cm aan toe en 15 cm hoog en weegt 1400 gram. Hij heeft langere en bredere oren dan de steenmarter. De steenmarter wordt 44 cm lang en de staart 26 cm en 12 cm hoog. Ze wegen 1900 gram.

De otter is een stuk groter. Hij heeft een lange staart van 40 cm en zwemvliezen. Hij wordt 120 cm lang en het gewicht varieert tussen 5 en 12 kilo. De ogen en de kleine, afsluitbare oren en neusgaten liggen op één lijn bovenop de platte kop, waardoor ze boven water blijven als het dier aan het wateroppervlak zwemt. Het lichaam is achteraan breed en hoog gebouwd. De lange, ovaalronde staart doet dienst als stabilisator en roer tijdens het zwemmen. De snuit is breed.

De das is het grootste dier (13 kg) en is 75 cm lang met een staart van 15 cm. Hij heeft een wigvormig lichaam, dat achteraan hoger is, met een vrij kleine kop en een lange snuit. Ook heeft hij korte, stevige poten en een relatief korte staart.

kenmerk wezel hermelijn bunzing steen-
marter
boom-
marter
otter das
lichaamslengte (cm) 20 30 40 44 45 80 75
staart (cm) 6 12 14 26 20 40 15
gewicht (gram) 65 350 1200 1900 1400 8 kg 13 kg
spijsverteringskanaal 3 x 4 x 5 x 4 x 4,3 x 5,6 x 7,5 x

Gegevens van marterachtigen

Vachtkleur

De wezel is rood- tot kastanjebruin op de rug en wit op de buik. De grens tussen beide is onregelmatig. De keel is wit vlek en het staartje is roodbruin. In het hoge noorden worden wezels in de winter (gedeeltelijk) wit.

De hermelijn heeft een iets donkerdere kastanjebruine kleur en een zwarte punt aan de staart. Op de buik is hij gelig wit. In de winter is hij wit op de zwarte staartpunt na. Keizers en koningen droegen vroeger mantels die gemaakt waren van de winterpelzen van hermelijnen.

De bunzing heeft een donkerbruine vacht, een witte snuit met witte oorrandjes, witte vlekken tussen de oren en ogen en een donker masker. De flanken zijn gelig van kleur. In de zomer is de gelige ondervacht grotendeels verborgen onder de donkerkleurige dekharen en ziet hij er donker uit. In de winter staat deze ondervacht uit waardoor een bunzing er lichter en dikker uitziet.

De boommarter is chocoladebruin met een gele keelvlek, de steenmarter is bruin met een gedeelde witte keelvlek. De keelvlek van de steenmarter is wat groter dan die van de boommarter en contrasteert meer. De oren van de boommarter hebben een lichte rand.

De otter heeft een glanzend grijsbruine vacht en is op de keel lichter gekleurd.

De das is aan de onderkant en op de poten zwart en bovenop grijs. De kop, haren op de oren en de staartpunt zijn wit. Er lopen twee brede evenwijdige strepen over beide zijden van de kop, van de snuit via de ogen naar de oren en het achterhoofd. De randen van de oren zijn wit.

Wat opvalt is:

Deze veranderingen zijn ook te zien bij andere diergroepen, bijvoorbeeld bij schapen zien we de lichte onderkant van de gems en de egaal donkere kleur van de muskusos, bij herkauwers de lichte onderzijde van veel antilopen en de lichte aalstreep van runderen, en bij onevenhoevigen: de lichte onderzijde van de ezels en de egale grijze huid van de neushoorns. Een koptekening is ook te zien bij vele antilopen.

vacht wezel hermelijn bunzing marters otter das
onderzijde wit wit donker bruin lichtgrijs zwart
bovenzijde roodbruin kastanjebruin flanken gelig bruin grijsbruin grijs
overig zwarte
staartpunt
tekening op
de kop
lichte
keelvlek
kop-
tekening

Vachtkleur van inheemse marterachtigen

Voedsel

De wezel is doorlopend actief en op jacht. Door zijn kleine lichaam verliest hij veel warmte en door zijn actieve, nerveuze, nieuwsgierige gedrag verbruikt hij veel energie en heeft hij veel voedsel nodig, dagelijks circa 1/3 van zijn gewicht. Hij moet ook iedere dag eten. Hij is gespecialiseerd in het vangen van muizen (met name woelmuizen) en kan doordat hij zo dun is, makkelijk door muizengangen kruipen. Hij eet ook grotere knaagdieren, vogels en insecten. Nadat hij een dier heeft gedood, drinkt hij eerst wat bloed en eet daarna pas van het vlees. Hij neemt zijn prooi mee naar zijn schuilplaats en maakt geen vetlaag.

De hermelijn eet voornamelijk woelmuizen, andere knaagdieren tot het formaat van een konijn en vogels. Zijn prooien zijn wat groter dan van de wezel. Hij grijpt zijn prooi in de nek met zijn tanden en bijt hem dood. Ook hij kan eerst wat bloed drinken, sleept dan zijn prooi weg naar zijn schuilplaats en eet eerst de hersenen.

De bunzing eet muizen, kikkers, vogels, slangen, insecten en regenwormen. Hij is niet gespecialiseerd, leeft bijna geheel van dierlijk voedsel, maar kan ook hommelnesten (en toen ze nog in korven zaten ook bijennesten) openmaken voor de honing en de larven.

De steenmarter heeft een gevarieerd dierlijk en plantaardig menu. Hij leeft van allerlei kleine dieren tot het formaat van een kip of konijn en eet vaak muizen en ratten. Hij eet in de herfst en winter ook veel fruit en bessen. Het dier sleept zijn prooi eerst mee naar zijn schuilplaats en gaat dan pas eten. Als er meer prooien zijn gaat hij eerst terug om er meer te vangen alvorens te eten.

De boommarter heeft min of meer hetzelfde voedsel als de steenmarter, maar eet minder plantaardig voedsel en hij jaagt in bomen ook op eekhoorns. Deze video laat zien waar een boommarter zoal jaagt en wat hij eet.

De otter eet voornamelijk vis, maar ook muskusratten, watervogels en kikkers. Hij jaagt meestal 's nachts. Kleine vissen eet hij in het water op, hij ligt dan op zijn rug in het water en houdt zijn prooi met zijn voorpoten vast. Grote prooien sleept hij eerst aan land om ze daar op te eten.

De das is een alleseter en eet regenwormen, slakken, fruit, maïskolven, wortelen en af en toe een muis. Hij kan vet worden, daarop leeft hij tijdens zijn winterrust.

Samenhangend met het meer carnivore voedsel zien we dat de kleinere soorten (wezel, hermelijn) een kies minder hebben dan de grotere soorten (boommarter, das). In de eerste tabel (zie bovenaan) staan gegevens over de lengte van het spijsverteringskanaal. Naar mate er meer koudbloedige dieren en plantaardig voedsel worden gegeten neemt de lengte ervan toe.

De kleinste dieren zijn pure vleeseters en eten alleen warmbloedige dieren en de kleinste ervan drinken ook het bloed en eten eerst de hersenen. De grotere dieren eten ook koudbloedige gewervelde dieren en gaan met toenemende grootte steeds meer ongewervelde eten en zelfs plantaardig voedsel. Als eerste zijn dit vruchten en daarna rijpend graan en wortelen. Een ander voorbeeld hiervan is de veelvraat. Dit circa 1 meter lange en tot 20 kg zware marterachtige leeft in de zomer vooral van aas en bessen. In de winter jaagt hij bij gebrek hieraan wel op andere zoogdieren, ook op grote zoals hert en eland.

voedsel wezel hermelijn bunzing marters otter das
bloed x x
zoogdieren x x x x x
vogels x x
reptielen, amfibieën x x
vissen x
ongewervelde dieren x x x x
honing x
fruit x x
planten x

Relatie tussen marterachtigen gesorteerd op grootte en hun voedsel

Voedselvoorkeur

In bovenstaande tabel is te zien dat er een opeenvolging is in voedselvoorkeur. Wanneer een dier behalve warmbloedige dieren ook andere dieren eet, zijn dit eerst koudbloedige gewervelde dieren die dicht bij de warmbloedige staan en daarna pas ongewervelde dieren. Daarna worden eieren en honing (een overgang van dierlijk naar plantaardig voedsel en er zitten ook insecten bij) gegeten en daarna vruchten. Pas daarna zien we groen plantaardig voedsel. Naar mate het dier groter wordt, wordt er meer plantaardig voedsel gegeten.

Het is interessant eens naar het begrip astraliteit (een korte uitleg van dit begrip) te kijken. Met dit begrip wordt in de antroposofie het dierlijke aangeduid. Naar mate een dier hoger is ontwikkeld (van vissen naar zoogdieren), is ook het astrale hoger ontwikkeld. Ook bij planten komt in lichte mate astraliteit voor, maar dan niet van binnenuit, maar van buitenaf. De meeste astraliteit komt voor bij vruchten. In de tabel neemt van links naar rechts de astraliteit van het voedsel af.

Voortbeweging

Wezel en hermelijn maken sprongetjes, waarbij ze hun rug krommen en zich met voor- en achterpoten tegelijk afzetten. Ze gaan vaak op hun achterpoten staan. De bunzing loopt veel meer, maar kan zich ook met sprongetjes voortbewegen. De boommarter is een behendige klimmer, gaat met groot gemak langs een boomstam omhoog of omlaag, hij is even snel als een eekhoorn. Hij springt in boomkruinen van tak naar tak. De steenmarter is veel minder behendig, maar is op de grond wel even wendbaar hoewel hij kortere poten heeft. De otter zwemt en duikt uitstekend. Hij heeft zwemvliezen tussen zijn tenen en gebruikt in het water zijn staart voor voortstuwing. Hij is met zijn korte poten op het land wat onbeholpen. De das heeft een tamelijk langzame gang.

Conclusies
De marterachtigen behoren tot de roofdieren en zijn in de eerste plaats hart-longdieren (zie muis - leeuw – koe). Binnen deze groep zijn het de dieren die sterk leven vanuit de zenuw-zintuig- processen.

Voor een indeling nemen we de drie verwante kleine dieren samen en de beide verwante marters ook. De wezelachtigen zijn de meest nerveuze en ook nieuwsgierige dieren, die snelle energie nodig hebben. De marters zijn dieren die van klimmen houden en de otter zit in het water. De grote das eet veel plantaardig voedsel en is een traag dier, dat het minst actief is. Hij legt ook een vetreserve aan, de wezel moet daarentegen dagelijks voedsel opnemen.

Indeling

Bij hart-longdieren zien we vaak dat het grootste dier het water opzoekt en het kleinste dier van klimmen houdt. De marters klimmen beide, de kleinste, de boommarter, doet dat bijzonder goed. Ook bij de hoefdieren zagen we dit fenomeen, daar zoeken de kleinste hart-longdieren rotsen op en de grootste ook het water of moeras.

Van de drie wezelachtigen is de wezel het kleinste en het meest actieve dier, de bunzing is het grotere dier, de hermelijn is wat groter dan de wezel en heeft een zwarte staartpunt. De wezel heeft een roodbruine kleur en een witte buik, de hermelijn is wat donkerder en heeft een gelig-witte buik, de bunzing is weer donkerder en heeft gelige flanken. De wezel drinkt bloed en eet alleen vlees, de hermelijn vooral vlees en de bunzing neemt naast vlees ook honing tot zich. De hermelijn heeft een (ritmische) afwisseling van zomer- en wintervacht.

Deze dieren zijn zo in te delen:

Samenvatting


Een wezel heeft een roodbruine bovenzijde en een witte onderzijde, een lange nek en achteraan is het lichaam wat hoger gebouwd


Een hermelijn lijkt op een wezel, is alleen groter
en heeft een langere staart met een zwarte punt


Opvallend bij de bunzing zijn de gelige flanken en
de koptekening; de rug wordt bol gehouden


Een boommarter heeft een gele keelvlek


Kenmerkend voor de steenmarter is zijn witte, gedeelde keelvlek


De otter is achteraan hoger gebouwd en bruingrijs, tussen de tenen heeft hij zwemvliezen


Een das is grijs aan de bovenzijde en zwart aan de onderzijde en heeft een karakteristieke zwart-wit getekende kop


De schedel van een wezel is langgerekt, net als
zijn lichaam; hij heeft lange, smalle hoektanden


Een hermelijn staat op zijn achterpoten om de omgeving te verkennen; de witte onderzijde is
mooi te zien - de overgang naar bruin is scherp


Ook de otter kan op de achterpoten staan om
om zich heen te kijken


De kleurovergang van de wezel is rafelig


In de winter is de hermelijn - op zijn zwarte staartpunt na - wit


De kop van de das is langgerekt en loopt uit in een spitse neus, over de ogen lopen zwarte strepen


De kop van de hermelijn is stomper en opvallend
zijn de grote ogen


De kop van voren laat de wit-bruine banen van de koptekening duidelijk zien


De oren van de boommarter hebben een witte rand


De keel van de otter is lichter; de staart lang en dik


Een das bij de ingang van zijn burcht


Een wezel op zoek naar voedsel


Een bunzing met geroofde eieren


Boommarter met in zijn bek een kuiken, kijkt uit
de opening van zijn hol

© Erven Tom van Gelder - Stichting AntroVista