Inleiding 

Kort geleden kreeg ik een biologieboek (of beter science, zoals de huidige naam is) in handen van de eerste klas van de middelbare school. Het eerste hoofdstuk gaat daar over de cel. Saai, vond onze zoon het. Ik moest terug denken aan mijn middelbare school boeken, die waren ook saai en degelijk. Die boeken begonnen niet bij de cel, maar bij de mens. Die werd eerst van alle kanten bekeken en alle biologische processen werden bij de mens besproken. Pas toen dat klaar was werden in een volgend deel de zoogdieren besproken en na hen de vogels, reptielen, amfibieën, vissen en daarna pas de ongewervelde dieren en aan het eind kwamen de eencelligen en de bacterie aan de beurt. Dat lijkt logisch omdat we onszelf dichtbij hebben en omdat organismen zijn opgedeeld in cellen. Het moderne boek behandelt eerst de cel en stelt dat organismen zijn opgebouwd uit cellen. Embryologisch is dat onjuist, de bevruchte eicel deelt zich op en bouwt er niet cellen bij.

Het leek mij goed eens de kenmerken op een rijtje te zetten van de vijf groepen gewervelde dieren en de mens en te onderzoeken op welke manier iedere groep verder is ontwikkeld dan de vorige. Er wordt dan duidelijk dat er vooruitgang is in de mate waarin een diergroep onafhankelijk is van zijn omgeving.

In totaal zijn er 57.000 soorten gewervelde dieren, vergeleken met het aantal ongewervelden (> 1.000.000) een klein aantal. Onderscheiden worden:

Van iedere groep en van de mens worden lichamelijke processen en organen besproken die we ook terug kunnen vinden in de drie orgaansystemen zenuw-zintuigstelsel, hart-longstelsel en stofwisselings-ledematenstelsel (zie driegeleding van de mens), namelijk:

In het laatste hoofdstuk wordt gekeken welke lijnen er in de ontwikkeling gezien kunnen worden.

In dit overzicht wordt uitgegaan van het karakteristieke van de diergroepen. Zelden laten alle dieren in een groep dat karakteristieke zien. Er zijn altijd uitzonderingen, veelal dieren die karakteristieke eigenschappen hebben verloren of ze andere juist bijzonder goed hebben ontwikkeld. Een voorbeeld: karakteristiek voor vogels is dat ze kunnen vliegen. Maar niet alle vogels kunnen vliegen, sommige zoals de struisvogel, de kiwi en de nandoe lopen, pinguïns zijn uitstekende zwemmers. Deze vogels hebben het vliegen als eigenschap verloren. Karakteristiek voor reptielen is hun dichte huid waardoor ze in de zon kunnen liggen en door de huid geen water verliezen, het zijn daarmee ook echte landdieren. Toch zijn er reptielen die in het water leven, zoals zeeschildpadden, zeeslangen en krokodillen. Door die dichte huid kunnen ze zout water verdragen, iets dat amfibieën die een doorlatende huid hebben niet kunnen.


Een haring


Een salamander


Een kameleon


Een merel

© Erven Tom van Gelder - Stichting AntroVista