Smaak 

Het zintuig voor smaak zit op de tong in de mond. In de mond proef je alleen stoffen die je er zelf actief in hebt gestopt. Je proeft alleen stoffen die je tot je hebt genomen en bovendien alleen stoffen die in water zijn opgelost of die door speeksel worden opgelost. Je proeft dus vloeibare en opgeloste vaste stoffen.

Proeven heeft twee componenten, namelijk het ruiken en de eigenlijke smaak. De geur van hetgeen op je tong ligt en in je mond is, stijgt op naar de neus en daar ruik je het. De smaak zelf heeft alleen betrekking op de waarneming van zoet, zuur, zout en bitter. Als je je neus dicht houdt, dan proef je alleen deze vier genoemde smaken. Alle geurwaarnemingen zijn dan verdwenen. Alle soorten jam smaken met dichte neus maar naar één ding: suiker.

De vier smaken worden op de tong geproefd en hebben elk een eigen gebied. Zoet proef je als eerste en ligt vooraan, zuur en zout liggen daarachter aan de zijkant en bitter ligt achteraan op de tongrand. Je kunt niet veel van de vier smaakstoffen verdragen. Alleen zoet blijft lang aangenaam smaken, de andere stoffen zijn al snel onaangenaam. Het snelste is bitter onaangenaam, kinderen hebben er helemaal moeite mee. Zuur ervaar je vaak als verfrissend. Zout proef je meestal niet, maar zorgt ervoor dat je andere dingen juist beter proeft of ruikt. Een gekookt eitje zonder zout smaakt niet, met zout juist wel.

Ook aan smaak is een oordeel verbonden, namelijk of iets gezond is of niet. Als je een hap in je mond neemt weet je of het gezond is of niet en weet je ook of je het doet omdat je nog honger hebt of om degene die heeft gekookt een plezier te doen. Door hierop je aandacht te richten kun je dit gevoelsoordeel versterken.

 « 12345678910
1112131415 » 

smaak
De ligging van de vier smaken op de tong

Oefeningen

Proef verschillende voedingsmiddelen met neus dicht en daarna met de neus open. Wat neem je waar?

Leg bij iemand iets zoets, zouts, zuurs en bitters op verschillende plekken op de tong. Dit kan het beste door de stof in water op te lossen en de vloeistof met een kwastje op de tong te strijken. Voor een bittere stof kun je in water opgelost koffiedik nemen. Laat de proefpersoon niet kijken. Laat hem beschrijven wat hij waarneemt en waar hij welke smaak waarneemt.

Laat iemand iets in je mond leggen, houd je neus daarbij dicht en kijk niet. Beweeg je tong niet. Probeer eerst erachter te komen wat het is. Je gebruikt eerst alleen je smaak. Betast het daarna, dan gebruik je de tastzin in je mond. Doe daarna je neus open, dan ruik je het. Beschrijf de verschillen. Wanneer wist je wat je in je mond had?

© Erven Tom van Gelder - Stichting AntroVista