De vierde zeven jaar 

Lichaam en orgaansystemen

Met het 21ste jaar is het lichaam uitgegroeid. De ik-organisatie wordt als vierde wezensdeel geboren. De persoonlijkheid kan verschijnen. De wil is rijp geworden om zelfstandig te handelen en de jonge mens kan verantwoording gaan dragen voor zichzelf en voor anderen.

Een deel van de krachten van de wil komt ter beschikking voor het zelfstandig scheppen en voor creatief scheppende gedachten. De gewaarwordingsziel, het deel van de ziel gericht op het waarnemen, wordt ontwikkeld.

In de vorige periode beleefde de jongere dat de omgeving niet genoeg begrip voor hem had. Nu is er het ontdekken, het uitproberen van dingen en leren van het leven. Van introvert wordt men extrovert.

De ontwikkeling van de hersenen gaat door tot het 25ste jaar, de hoger ontwikkelde delen zijn nu aan de beurt. Ook hier geldt: veel doen en veel waarnemen stimuleert die ontwikkeling. Men kan rond het 21ste jaar op drie manieren in het leven staan, als koning, herder of dienaar.

Leren

Tot het 21ste jaar worden de dingen geschonken, daarna moet de jongeere zelf aan de slag om zich te ontwikkelen. Dat heeft te maken met het ik dat geboren is. De zelfopvoeding begint, iedereen is voor bepaalde indrukken specifiek gevoelig en die zoekt hij onbewust op. De ene mens ziet iets, waar de ander niets ziet.

Doordat men zich langere tijd met interesse aan iets wijdt, ontstaat specifieke gevoeligheid voor bepaalde waarnemingen. Dit gebeurt bij het werk, door te reizen, door anderen te ontmoeten, boeken te lezen, etc. Het is de tijd van de “Wanderjahre”, waarin men ervaringen verzamelt. Men ontdekt de wereld en ontdekt ook dat men dingen kan, waarvan vroeger werd gezegd dat dat niet zo was. Aan de andere kant zal men veel geleerde dingen niet gebruiken.

Er wordt vaak van werk gewisseld om van verschillende ervaringen te leren. Het ik groeit hierdoor. Er is afhankelijkheid van de omgeving om te kunnen groeien.

De ik-organisatie wordt gestimuleerd door met andere mensen om te gaan en ontwikkelt zich doordat men idealen heeft, interesse heeft in het lot van anderen en verdiensten van anderen accepteert. Vriendschappen en groepen worden gevormd, men gaat met gelijkgezinden iets doen en netwerken die ook later betekenis hebben, ontstaan.

De rol van opvoeders

Waarachtigheid, liefde en vrijheid voor zichzelf en voor de ander zijn belangrijke eigenschappen die opvoeders moeten hebben. De ik-organisatie wordt ondersteund door een omgeving die blijk geeft van betrouwbaarheid, continuïteit, draagkracht en doorzettingsvermogen. De medewerkers van een opleiding moeten samen aan de realisatie van de idealen werken. Het is dit streven dat vormend werkt op jonge mensen.

Denken

Bij het denken vallen twee dingen op. Doordat de jonge mens moet kunnen ontdekken waar zijn idealen liggen, moet hij met veel in aanraking komen en moet er veel worden aangeboden. Hij kan dan merken waar zijn voorkeuren liggen. Dat betekent ook dat dingen die niet resoneren niet worden waargenomen, daar heeft hij geen verbinding mee.

De waarneming ondersteunt de wil, omdat de waarneming de wilsintenties verduidelijkt. Het denken wordt ook gericht op het doorgronden van samenhangen in de wereld. De stap naar zelfscholing kan worden gemaakt, zodat men de eigen ontwikkeling ter hand neemt, alleen of met anderen.

Voelen

In de voorgaande leeftijdsfase werden gevoelens sterk beleefd en uitgeleefd. Dat gaat nog door, het gevoelsleven blijft heftig. Positieve en negatieve gevoelens wisselen elkaar af. De mening die anderen hebben is belangrijk. Helaas kan de jonge mens om die onzekerheid te compenseren in een “gewenste” rol terecht komen. En die rol kan het ontkiemende ik onderdrukken. In deze periode kan men het gevoel wel beter onderzoeken en proberen te sterke gevoelens te nuanceren, zodat er meer balans ontstaat.

Wat vooral bij jongens en in mindere mate bij meisjes speelt is dat er wel veel gevoelens zijn, die ze duidelijk laten zien, maar gevraagd naar die gevoelens, zeggen ze: ik voel niets. Zolang dat zo is zijn ze eraan overgeleverd. Het is zaak dat ze worden geholpen hun gevoel te bekijken en te weten dat ze die hebben en ook dat ze er op kunnen vertrouwen, omdat ze een weerspiegeling zijn van de relatie van hen met henzelf en met hun omgeving op dat moment.

Willen

De impulsen die uit het willen opduiken moet men volgen en onderzoeken. Hiervoor zijn werksituaties geschikter dan schoolsituaties, omdat men in het werk de wereld sterker tegenkomt en ziet wat men wil doen. Er kan blijken dat hetgeen men altijd gewild heeft, niet dat is wat men in het leven zal gaan doen. Wat men gaat doen, ontdekt men door veel situaties tegen te komen. De aandacht moet worden gericht op het nemen van initiatieven. Is men lui en leert men dat in deze fase niet, dan heeft men voor zijn verdere leven geleerd geen initiatieven meer te nemen.

 « 1234567 » 

Behalve het fysieke lichaam worden bij de mens in de antroposofische geesteswetenschap drie andere niet fysieke lichamen onderscheiden. Dit zijn:

Koning, herder en dienaar

Deze typologie lijkt vooral rond het 21ste jaar betekenis te hebben. Het zijn accenten die mensen leggen.

Het is belangrijk dat mensen van de drie typen met elkaar samenwerken.

© Erven Tom van Gelder - Stichting AntroVista