Inleiding 

Op een zonnige dag in het voorjaar staan twee mensen op straat te praten. Er komt een zwart vogeltje aangevlogen, dat op straat gaat zitten. Het hipt heen en weer en pikt hier en daar met zijn snavel tussen de straatstenen. De een zegt: “Kijk een mannetjesmerel.” De ander denkt: wauw, wat knap dat zij dat kan zien en zegt: “Hoe weet je dat het een mannetje is?” Hij heeft zich nooit voor vogels geïnteresseerd en vindt het knap dat iemand een merel kan herkennen. Dat ook nog kan worden waargenomen dat het om een mannetje gaat, grenst aan genialiteit, vindt hij. De ander is verbaasd, zegt: “Maar dat is makkelijk.” Zij maakt duidelijk dat een mannetjesmerel te herkennen is aan het formaat, de zwarte veren en de oranje snavel. In het gesprek dat daarop volgt maakt zij duidelijk dat er in de stad veel vogelsoorten voorkomen en dat het niet zo moeilijk is ze te leren kennen. Er werd daardoor interesse gewekt, ook ontstond het gevoel: “Als zij dat kan, dan kan ik dat misschien ook wel.”

Na enkele keren vogels kijken en ze in een vogelgids op te zoeken kon de onwetende ook een mannetjesmerel herkennen. Het bleek helemaal niet zo moeilijk en geniaal hoefde hij er ook niet voor te zijn.

Wat kun je aan dit voorbeeld zien? Het zal zeker niet voor het eerst zijn dat de onwetende zo'n algemene vogel als een merel heeft gezien. Hij moet ze ontelbaar vaak hebben gezien. Toch is de waarneming nooit in zijn bewustzijn gekomen en hij is de waarnemingen ook vergeten. Hij weet in het beschreven voorbeeld immers niet wat hij ziet. Hooguit zag hij eerder 'iets fladderen' of heeft hij 'een vogel' gezien. Nadat hem was verteld dat de vogel een merel was, raakte hij geïnteresseerd en ging er een wereld, namelijk de vogelwereld, voor hem open, die hij tot dan toe nooit bewust had gezien.

Interesse en begrippen

Uit dit voorbeeld kan worden afgeleid dat er twee voorwaarden zijn om tot een waarneming te komen. In de eerste plaats moet je belangstelling of interesse hebben. Als je geen interesse voor een bepaald verschijnsel hebt, neem je niets waar. Datgene wat langs komt, zie je misschien wel, maar het komt niet in het bewustzijn. Andere dingen, die wel de belangstelling hebben, neem je op dat moment natuurlijk wel waar. Daarnaast moet je kennis hebben. Je moet weten hoe een mannetjesmerel er uit ziet en hoe je hem kunt onderscheiden van andere vogels. Je moet hem een naam kunnen geven. Je moet de begrippen kennen.

Vanuit een opvallende of bijzondere waarneming kan er interesse ontstaan. Als je eenmaal interesse hebt en een vogel een naam hebt gegeven, kun je langzamerhand andere vogels ook een naam geven en breiden de begrippen zich uit.

Nadat in het voorbeeld voor het eerst 'iets fladderends' met een begrip is verbonden en daardoor tot een bewuste waarneming werd, was de interesse gewekt voor vogels. Hij kocht een vogelgids en ging op pad. Ineens vielen hem overal in de stad vogeltjes op. Hij zag ze in bomen zitten, ze fladderden voor hem langs, ze zaten letterlijk overal. Soms kon hij meteen opzoeken om welke soort het ging, soms zag hij maar een detail en kon hij wel zien dat het een mees is, maar net niet welke soort. Al doende leerde hij meer soorten kennen en breidden de begrippen zich uit. Gaandeweg de ontdekkingstocht ging het herkennen steeds makkelijker. Was onze nieuwbakken vogelaar eerst al blij dat hij een mees kon herkennen en later de verschillende soorten mezen, na enige tijd kon hij ook een voorbijschietende vogel herkennen. Aan een klein blauw vlekje op de kop had hij al genoeg om een pimpelmees te herkennen, aan het kuifje herkende hij de kuifmees en aan de manier waarop de vogel al golvend vloog herkende hij al van verre de witte kwikstaart. Ook vielen hem steeds meer details op en ging hij op andere dingen letten, zoals de zang, de plek waar ze voorkwamen en het gedrag.

Als je begrippen of kennis hebt op een bepaald gebied, komen er waarnemingen tot stand. Heb je geen begrippen dan zijn er geen waarnemingen. Vanuit een onbewuste, onbegrepen waarneming kan er interesse ontstaan en kan een waarneming later alsnog met een begrip worden verbonden.

Heb je eenmaal een eerste waarneming, dan wordt de wereld door de wisselwerking van interesse en begrippen, ondersteund door steeds nieuwe waarnemingen, steeds rijker.

123456789 » 

merel
Mannetjesmerel

pimpelmees
Pimpelmees

Oefeningen

Ga naar buiten en kijk om je heen. Noteer je waarnemingen. Let erop wat je waarneemt. Vergelijk na afloop je waarnemingen met anderen. Hebben zij andere dingen gezien, die jou niet zijn opgevallen? Ga daarna na, waarom ze je niet zijn opgevallen. Ontbrak de interesse of had je het begrip niet (bijvoorbeeld als je wel een boom zag maar niet wist welke soort)?

Neem iets dat je kent. Alledaagse dingen zijn zeer geschikt, zoals letters uit de krant, het servies, de vloerbedekking, de stem van een ander. Zoek naar vragen en begrippen waarmee je kunt waarnemen. Noteer waar je interesse naar uit gaat, noteer je waarnemingen en de begrippen die je gebruikt. Trek conclusies uit je waarnemingen, noteer daarbij welke waarnemingen en kennis uit andere gebieden je hebt gebruikt. Probeer nieuwe begrippen te ontdekken.

Zoek in je herinnering een voorbeeld van het ontstaan van (al dan niet tijdelijke) interesse en de manier waarop je begrippen werden gevormd.

© Erven Tom van Gelder - Stichting AntroVista